Dit hoofdstuk bevat informatie over het gebruik van uw apparaat als fax.
In dit hoofdstuk vindt u de volgende onderwerpen:
|
|
|
Voordat u een fax kunt verzenden of ontvangen, moet u het meegeleverde telefoonsnoer aansluiten op een telefoonaansluiting. Raadpleeg de Beknopte installatiehandleiding voor informatie over de aansluiting. De aansluiting van een telefoonsnoer verschilt van land tot land.
U kunt een fax verzenden en ontvangen vanaf uw computer zonder het apparaat te gebruiken.
Als u een fax vanaf uw computer wilt verzenden, moet het programma geďnstalleerd zijn. Dit programma wordt automatisch geďnstalleerd tijdens de installatie van het printerstuurprogramma.
Open het document dat u wilt verzenden.
Selecteer in het menu .
Het venster verschijnt. Afhankelijk van uw toepassing kan dit venster er iets anders uitzien.
Selecteer in het venster
Klik op of op .
Voer de nummers van de ontvangers in en selecteer opties.
Als u een voorblad wilt gebruiken, schakelt u het selectievakje in bij .
Schakel de optie in, als u een melding wilt krijgen dat de fax is afgeleverd bij de ontvangers.
Klik op .
|
|
|
Klik, voor meer informatie over , op . |
Als u het printerstuurprogramma hebt geďnstalleerd, werd het programma Samsung Scan- en faxbeheer eveneens geďnstalleerd. Start het programma Samsung Scan- en faxbeheer voor meer informatie over dit programma en over de status van het geďnstalleerde stuurprogramma. Met dit programma kunt u de faxinstellingen wijzigen en mappen waarin de gefaxte documenten op uw computer worden opgeslagen toevoegen of verwijderen.
|
|
|
Het programma Samsung Scan- en faxbeheer kan alleen worden gebruikt onder Windows en Macintosh. Controleer of het doorsturen van een fax naar een pc is ingesteld op :
|
Open het programma Samsung Scan- en faxbeheer.
Klik onder Windows in het menu op > Samsung Scan- en faxbeheer.
Om dit programma te openen, klikt u met de rechtermuisknop op het pictogram van Smart Panel in het systeemvak van Windows en kiest u Samsung Scan- en faxbeheer.
Klik onder Macintosh in het menu Smart Panel op de statusbalk op Samsung Scan- en faxbeheer.
Selecteer het gewenste apparaat in Samsung Scan- en faxbeheer.
Klik op .
Wijzig de faxinstellingen met .
Klik op als u klaar bent met de instellingen.
: u kunt selecteren of u al dan niet gebruik wilt maken van deze functie.
: u kunt ontvangen faxberichten converteren naar PDF of TIFF.
: de map selecteren voor het opslaan van geconverteerde faxberichten.
: bestands- of mapschema selecteren als prefix.
: de afdrukgegevens instellen voor een ontvangen faxbericht.
: als een fax wordt ontvangen, wordt een pop-upvenster geopend met een melding.
In dit gedeelte wordt uitgelegd hoe u een fax verzendt en welke bijzondere verzendmethoden u kunt gebruiken.
|
|
|
U kunt originelen op de glasplaat van de scanner of in de ADI plaatsen (zie Originelen plaatsen). Als er zich zowel originelen in de ADI als op de glasplaat van de scanner bevinden, worden de originelen in de ADI eerst gelezen omdat de ADI een hogere prioriteit heeft bij het scannen. |
In sommige landen bent u wettelijk verplicht om op iedere uitgaande fax uw faxnummer te vermelden.
Druk op op het bedieningspaneel.
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Voer uw (bedrijfs)naam in met behulp van het numerieke toetsenblok. Met het numerieke toetsenblok kunt u alfanumerieke tekens invoeren. Speciale tekens voert u in met cijfertoets "1". Zie Tekens via het numerieke toetsenblok invoeren voor meer informatie over het invoeren van alfanumerieke tekens.
Druk op om de id op te slaan.
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Voer uw faxnummer in met behulp van het numerieke toetsenblok en druk op .
Druk op om terug te keren naar de stand-bymodus.
Druk op
(Faxen) op het bedieningspaneel.
Plaats originelen in de ADI met de bedrukte zijde naar boven, of plaats een enkel origineel op de glasplaat van de scanner met de bedrukte zijde naar onder.
(Zie Op de glasplaat van de scanner of In de automatische documentinvoer.)
Stel de gewenste resolutie en tonersterkte in (zie De documentinstellingen aanpassen).
Voer het nummer in van het apparaat waarnaar u de fax verstuurt.
U kunt snelkiesnummers of groepskiesnummers gebruiken. Zie Adresboek aanmaken voor meer informatie over het opslaan en zoeken van een nummer.
Druk op op het bedieningspaneel. Het document wordt gescand en naar de bestemmingen gefaxt.
|
|
|
Bij deze methode wordt er een fax verzonden met behulp van op het bedieningspaneel.
Druk op
(Faxen) op het bedieningspaneel.
Plaats originelen in de ADI met de bedrukte zijde naar boven, of plaats een enkel origineel op de glasplaat van de scanner met de bedrukte zijde naar onder.
Stel de gewenste resolutie en tonersterkte in (zie De documentinstellingen aanpassen).
Druk op op het bedieningspaneel of neem de hoorn van de haak.
Voer een faxnummer in met behulp van het numerieke toetsenblok op het bedieningspaneel.
Druk op zodra u een hoge faxtoon hoort van het ontvangende faxapparaat.
|
|
|
Als u een faxtaak wilt annuleren, kunt u tijdens het verzenden van de fax op elk moment op drukken. |
Wanneer de laatste pagina van uw origineel correct is verzonden, hoort u een pieptoon waarna het apparaat terugkeert naar de stand-bymodus.
Als er tijdens de verzending van uw fax iets fout gaat, verschijnt er een foutbericht op het display. Zie Informatie over berichten op het display voor een lijst van foutberichten en hun betekenis. Druk op om het weergegeven foutbericht te wissen en probeer de fax opnieuw te verzenden.
U kunt het apparaat zo instellen dat er na elke verzonden fax automatisch een verzendrapport wordt afgedrukt. Zie Automatisch een verzendrapport afdrukken voor meer informatie.
Als de lijn van het gekozen nummer bezet is of als het faxapparaat van de ontvanger niet antwoordt, wordt het nummer afhankelijk van de fabrieksinstellingen automatisch tot zeven keer opnieuw gekozen met tussenpozen van drie minuten.
Wanneer op het display verschijnt, drukt u op om het nummer onmiddellijk opnieuw te kiezen. Als u de functie Automatisch opnieuw kiezen wilt annuleren, drukt u op .
U kunt ook de wachttijd tussen twee kiespogingen en het aantal kiespogingen wijzigen (zie De faxinstellingen wijzigen).
Om het laatste nummer opnieuw te kiezen:
Druk op op het bedieningspaneel.
Het apparaat begint automatisch met verzenden wanneer een origineel in de ADI wordt geplaatst.
Als een origineel op de glasplaat ligt, selecteert u om een andere pagina toe te voegen. Plaats een ander origineel en druk op . Zodra u klaar bent, selecteert u op de vraag
Met de functie Groepsverzending kunt u een fax naar meerdere bestemmingen verzenden. Uw documenten worden automatisch in het geheugen opgeslagen en naar een extern faxapparaat verzonden. Na verzending worden de originelen automatisch uit het geheugen gewist. U kunt bij gebruik van deze functie geen kleurenfax verzenden.
Druk op
(Faxen) op het bedieningspaneel.
Plaats originelen in de ADI met de bedrukte zijde naar boven, of plaats een enkel origineel op de glasplaat van de scanner met de bedrukte zijde naar onder.
Stel de gewenste resolutie en tonersterkte in (zie De documentinstellingen aanpassen).
Druk op op het bedieningspaneel.
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Voer het nummer van het eerste ontvangende faxapparaat in en druk op .
U kunt snelkiesnummers oproepen of een groepskiesnummer selecteren met de knop . Voor meer informatie zie Adresboek aanmaken.
Voer het tweede faxnummer in en druk op .
U wordt gevraagd om het volgende faxnummer waarnaar u het document wilt verzenden in te voeren.
Als u meer faxnummers wilt invoeren, drukt u op zodra verschijnt en herhaalt u stappen 7 en 8. U kunt tot 10 bestemmingen toevoegen.
Druk op om het ingescande origineel in het geheugen op te slaan.
|
|
|
Na het invoeren van een groepskiesnummer kunt u geen ander groepskiesnummer meer invoeren. |
Als u klaar bent met het invoeren van faxnummers, drukt u op de pijl-links/rechts om te selecteren op de vraag en drukt u op .
Als er een origineel op de glasplaat ligt, selecteert u om een andere pagina toe te voegen. Plaats een ander origineel en druk op .
Zodra u klaar bent, selecteert u op de vraag
Het apparaat verzendt de fax naar de verschillende nummers in de volgorde waarin u ze hebt ingevoerd.
U kunt het apparaat zo instellen dat een fax op een later tijdstip (tijdens uw afwezigheid) wordt verzonden. U kunt bij gebruik van deze functie geen kleurenfax verzenden.
Druk op
(Faxen) op het bedieningspaneel.
Plaats originelen in de ADI met de bedrukte zijde naar boven, of plaats een enkel origineel op de glasplaat van de scanner met de bedrukte zijde naar onder.
Stel de gewenste resolutie en tonersterkte in (zie De documentinstellingen aanpassen).
Druk op op het bedieningspaneel.
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Voer het nummer van het ontvangende faxapparaat in en druk op .
U kunt snelkiesnummers oproepen of een groepskiesnummer selecteren met de knop . Voor meer informatie zie Adresboek aanmaken.
U wordt gevraagd om het volgende faxnummer waarnaar u het document wilt verzenden in te voeren.
Als u meer faxnummers wilt invoeren, drukt u op zodra verschijnt en herhaalt u stap 7. U kunt tot 10 bestemmingen toevoegen.
|
|
|
Na het invoeren van een groepskiesnummer kunt u geen ander groepskiesnummer meer invoeren. |
Als u klaar bent met het invoeren van faxnummers, drukt u op de pijl-links/rechts om te selecteren op de vraag en drukt u op .
Voer de gewenste taaknaam in en druk op OK.
Zie Tekens via het numerieke toetsenblok invoeren voor meer informatie over het invoeren van alfanumerieke tekens.
Sla deze stap over als u geen naam wilt toewijzen.
Voer de tijd in met behulp van het numerieke toetsenblok en druk op OK.
|
|
|
Als u een tijdstip instelt dat vroeger is dan de huidige tijd, wordt de fax de volgende dag op het ingestelde tijdstip verzonden. |
Het document wordt in het geheugen opgeslagen voor het wordt verzonden.
Als er een origineel op de glasplaat ligt, selecteert u om een andere pagina toe te voegen. Plaats een ander origineel en druk op .
Zodra u klaar bent, selecteert u op de vraag
Het apparaat keert terug naar de stand-bymodus. Het display herinnert u eraan dat het apparaat zich in stand-bymodus bevindt en dat er een uitgesteld faxbericht is ingesteld.
U kunt documenten toevoegen aan een uitgestelde faxtaak die in het geheugen is opgeslagen.
Plaats de originelen die u wilt toevoegen en pas indien nodig de documentinstellingen aan.
Druk op op het bedieningspaneel.
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot de gewenste faxtaak verschijnt en druk op .
Zodra u klaar bent, selecteert u op de vraag Het apparaat scant het origineel in en slaat het op in het geheugen.
Druk op om terug te keren naar de stand-bymodus.
U kunt de uitgestelde faxtaak die in het geheugen is opgeslagen annuleren.
Druk op op het bedieningspaneel.
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot de gewenste faxtaak verschijnt en druk op .
Druk op zodra verschijnt.
De geselecteerde fax wordt uit het geheugen gewist.
Druk op om terug te keren naar de stand-bymodus.
U gebruikt deze functie als u een fax met hoge prioriteit moet verzenden voorafgaand aan andere geplande taken. Het document wordt in het geheugen opgeslagen en onmiddellijk verzonden zodra de lopende taak is voltooid. Met een verzending met hoge prioriteit worden kiespogingen of een verzending naar meerdere bestemmingen onderbroken (de fax met hoge prioriteit wordt verzonden na de verzending naar ontvanger A en voor de verzending naar ontvanger B).
Druk op
(Faxen) op het bedieningspaneel.
Plaats originelen in de ADI met de bedrukte zijde naar boven, of plaats een enkel origineel op de glasplaat van de scanner met de bedrukte zijde naar onder.
Stel de gewenste resolutie en tonersterkte in (zie De documentinstellingen aanpassen).
Druk op op het bedieningspaneel.
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Voer het nummer van het ontvangende faxapparaat in en druk op .
U kunt snelkiesnummers oproepen of een groepskiesnummer selecteren met de knop . Voor meer informatie zie Adresboek aanmaken.
Voer de gewenste taaknaam in en druk op OK.
Het document wordt in het geheugen opgeslagen voor het wordt verzonden.
Als er een origineel op de glasplaat ligt, selecteert u om een andere pagina toe te voegen. Plaats een ander origineel en druk op .
Zodra u klaar bent, selecteert u op de vraag
Het document wordt gescand en naar de bestemmingen gefaxt.
In dit gedeelte wordt beschreven hoe u een fax ontvangt en welke bijzondere ontvangstmethoden u daarvoor kunt gebruiken.
Uw apparaat is standaard ingesteld op de modus . Als u een fax ontvangt, beantwoordt het apparaat de oproep na een opgegeven aantal belsignalen en wordt de fax automatisch ontvangen. Voer de volgende stappen uit als u de faxmodus wilt wijzigen.
Druk op
(Faxen) op het bedieningspaneel.
Druk op op het bedieningspaneel.
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot de gewenste faxontvangstmodus verschijnt.
: hiermee wordt een inkomende faxoproep aangenomen en wordt onmiddellijk overgeschakeld naar de faxontvangstmodus.
: hiermee ontvangt u een fax door op en vervolgens op te drukken. Als uw apparaat een handset heeft, kunt u een fax ontvangen door de hoorn van de haak te nemen.
: wordt gebruikt als er een antwoordapparaat is aangesloten op uw apparaat. Inkomende oproepen worden beantwoord door het antwoordapparaat zodat de beller een boodschap op het antwoordapparaat kan achterlaten. Als het faxapparaat een faxtoon op de lijn opvangt, schakelt het automatisch over naar faxmodus om de fax te ontvangen.
: u kunt een oproep aannemen met de DRPD-functie (Distinctive Ring Pattern Detection – detectie van distinctieve belpatronen). "Distinctive Ring Detection" of beltoonherkenning is een dienst van de telefoonmaatschappij waarmee men via één telefoonlijn meerdere oproepen tegelijk kan beantwoorden. Zie Faxen ontvangen in DRPD-modus voor meer informatie.
Druk op om uw selectie op te slaan.
Druk op om terug te keren naar de stand-bymodus.
|
|
|
U kunt een faxoproep aannemen door eerst te drukken op en vervolgens op wanneer u de faxtoon van een extern faxapparaat hoort. Het apparaat ontvangt een fax. Als uw apparaat een handset heeft, kunt u oproepen beantwoorden met de handset.
Zie De faxinstellingen wijzigen voor informatie over het wijzigen van het aantal belsignalen.
Als u deze modus wilt gebruiken, moet u een antwoordapparaat aansluiten op de EXT-uitgang aan de achterzijde van het apparaat (zie Achterkant).
Als de beller een boodschap achterlaat, slaat het antwoordapparaat de boodschap op de gebruikelijke wijze op. Als het apparaat een faxtoon op de lijn detecteert, wordt de fax automatisch ontvangen.
|
|
|
Deze functie werkt het beste als u een intern telefoontoestel gebruikt dat aangesloten is op de EXT-uitgang aan de achterkant van het apparaat. U kunt een fax ontvangen van iemand met wie u in gesprek bent op het intern telefoontoestel zonder dat u naar het faxapparaat hoeft te gaan.
Als u een oproep krijgt op het intern telefoontoestel en faxtonen hoort, drukt u op de toetsen *9* op het telefoontoestel. Het apparaat ontvangt de fax.
Druk de toetsen langzaam na elkaar in. Als u de faxtoon van het andere faxapparaat nog steeds hoort, probeert u opnieuw op *9* te drukken.
De ontvangstcode is standaard ingesteld op *9*. De eerste en de laatste asterisk liggen vast, maar het middelste cijfer kan worden gewijzigd. Zie De faxinstellingen wijzigen voor meer informatie over het wijzigen van de code.
"Distinctive Ring Detection" of beltoonherkenning is een dienst van de telefoonmaatschappij waarmee men via één telefoonlijn meerdere oproepen tegelijk kan beantwoorden. Het nummer dat iemand gebruikt om u te bellen wordt geďdentificeerd door verschillende belpatronen die bestaan uit verschillende combinaties van lange en korte belsignalen. Deze functie wordt vaak gebruikt in callcenters waar het bij druk telefoonverkeer van belang is om te weten welk nummer iemand heeft gekozen om de oproep correct te kunnen beantwoorden.
Met de DRPD-functie (beltoonherkenning) kan uw apparaat "leren" welk belpatroon u door het faxapparaat wilt laten beantwoorden. Tenzij u het verandert, zal dit belpatroon steeds worden herkend en als een faxoproep worden ontvangen. Bij alle andere belpatronen wordt de oproep doorverbonden naar het telefoontoestel of naar het antwoordapparaat dat op de EXT-uitgang is aangesloten. U kunt DRPD op ieder moment wijzigen of onderbreken.
Voor u de DRPD-optie kunt gebruiken, moet uw telefoonmaatschappij "Distinctive Ring" op uw telefoonlijn geďnstalleerd hebben. Om DRPD in te stellen, hebt u een tweede telefoonlijn nodig of iemand die uw faxnummer kan kiezen van buitenaf.
Zo stelt u de DRPD-modus in:
Druk op
(Faxen) op het bedieningspaneel.
Druk op op het bedieningspaneel.
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
verschijnt op het display.
Bel met een andere telefoon naar uw faxnummer. U hoeft niet vanaf een faxapparaat te bellen.
Als het apparaat begint te rinkelen, beantwoordt u de oproep niet. Het apparaat heeft enkele belsignalen nodig om het patroon te "leren" herkennen.
Als het patroon is herkend voor later gebruik, verschijnt op het display. Als de instelling van DRPD mislukt, verschijnt .
Druk op OK wanneer DRPD verschijnt en begin opnieuw vanaf stap 6.
|
|
|
Mogelijk wilt u niet dat faxberichten die tijdens uw afwezigheid binnenkomen door anderen worden bekeken. U kunt in dat geval veilige ontvangstmodus inschakelen om te voorkomen dat ontvangen faxen tijdens uw afwezigheid worden afgedrukt. In veilige ontvangstmodus worden alle inkomende faxen in het geheugen opgeslagen. Zodra u deze modus uitschakelt, worden de opgeslagen faxberichten afgedrukt.
Druk op
(Faxen) op het bedieningspaneel.
Druk op op het bedieningspaneel.
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Voer een viercijferig wachtwoord in en druk op .
|
|
|
U kunt de veilige ontvangstmodus ook activeren zonder een wachtwoord in te stellen, maar dan zijn uw faxen niet beveiligd. |
Voer het wachtwoord nogmaals in om het te bevestigen en druk op .
Druk op om terug te keren naar de stand-bymodus.
Wanneer een fax wordt ontvangen in de veilige ontvangstmodus, slaat het apparaat de fax op in het geheugen. Het bericht wordt weergegeven om u te laten weten dat er een fax is binnengekomen.
U krijgt toegang tot het menu door stappen 1 tot en met 4 te volgen in "Veilige ontvangstmodus inschakelen".
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Voer het wachtwoord van vier cijfers in en druk op .
Alle in het geheugen opgeslagen faxberichten worden afgedrukt.
U krijgt toegang tot het menu door stappen 1 tot en met 4 te volgen in "Veilige ontvangstmodus inschakelen".
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Voer het wachtwoord van vier cijfers in en druk op .
Veilige ontvangstmodus wordt uitgeschakeld en alle in het geheugen opgeslagen faxberichten worden afgedrukt.
Druk op om terug te keren naar de stand-bymodus.
Aangezien het apparaat meerdere taken tegelijk kan uitvoeren, kan het een fax ontvangen terwijl u kopieert of afdrukt. Als u tijdens het kopiëren of afdrukken een fax ontvangt, slaat het apparaat de inkomende fax in het geheugen op. Zodra u klaar bent met kopiëren of afdrukken wordt de fax automatisch afgedrukt.
Voordat u een fax verstuurt, wijzigt u de volgende instellingen overeenkomstig de eigenschappen van het origineel voor een optimaal resultaat.
De standaarddocumentinstellingen leveren goede resultaten voor een normaal tekstdocument. Als u echter originelen verstuurt die foto’s bevatten of van een slechte kwaliteit zijn, kunt u de resolutie aanpassen om een fax van een betere kwaliteit te versturen.
Druk op
(Faxen) op het bedieningspaneel.
Druk op op het bedieningspaneel.
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot de gewenste optie verschijnt en druk op .
Druk op om terug te keren naar de stand-bymodus.
In de onderstaande tabel vindt u de aanbevolen resoluties voor verschillende documenttypes:
|
Modus |
Aanbevolen voor: |
|||
|---|---|---|---|---|
|
|
Originelen met tekens van normale grootte. |
|||
|
Originelen met kleine tekens of dunne lijnen, of originelen die met een matrixprinter zijn afgedrukt. |
||||
|
Originelen met zeer kleine details. De modus wordt alleen ingeschakeld als het apparaat waarmee u communiceert deze resolutie ondersteunt.
|
||||
|
Originelen met grijstinten of foto’s. |
||||
|
Originelen met kleuren. De functie kleurenfax wordt alleen ingeschakeld als het apparaat waarmee u communiceert de ontvangst van een kleurenfax ondersteunt en als u de fax handmatig verzendt. In deze modus is verzenden vanuit het geheugen niet mogelijk. |
|
|
|
De ingestelde resolutie wordt toegepast op de huidige faxtaak. Zie Standaardwaarde wijzigen om de standaardinstelling te wijzigen. |
U kunt de helderheid van het originele document selecteren.
Druk op
(Faxen) op het bedieningspaneel.
Druk op op het bedieningspaneel.
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot de gewenste optie verschijnt en druk op .
Druk op om terug te keren naar de stand-bymodus.
|
|
|
De ingestelde helderheid wordt toegepast op de huidige faxtaak. Zie Standaardwaarde wijzigen om de standaardinstelling te wijzigen. |
U kunt het apparaat zo instellen dat een ontvangen of verzonden fax per fax wordt doorgestuurd naar een andere bestemming. Deze functie is nuttig als u een fax wilt ontvangen wanneer u niet op kantoor bent.
U kunt het apparaat zo instellen dat elke fax die u verzendt wordt doorgestuurd naar een andere bestemming.
Druk op
(Faxen) op het bedieningspaneel.
Druk op op het bedieningspaneel.
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Voer het nummer in van het faxapparaat waarnaar de faxen verzonden moeten worden en druk op .
Druk op om terug te keren naar de stand-bymodus.
Na elkaar verzonden faxen zullen doorgestuurd worden naar het opgegeven faxapparaat.
Met deze functie kunt u elke fax die u ontvangt doorsturen naar een andere bestemming. Wanneer er een fax binnenkomt, wordt deze in het geheugen opgeslagen en vervolgens doorgestuurd naar de bestemming die u hebt ingesteld.
Druk op
(Faxen) op het bedieningspaneel.
Druk op op het bedieningspaneel.
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Selecteer als u wilt dat het apparaat de fax afdrukt nadat het deze heeft doorgestuurd.
Voer het nummer in van het faxapparaat waarnaar de faxen verzonden moeten worden en druk op .
Voer met behulp van de pijl-links/rechts of het numerieke toetsenblok de begintijd in en druk op .
Voer met behulp van de pijl-links/rechts of het numerieke toetsenblok de eindtijd in en druk op .
Druk op om terug te keren naar de stand-bymodus.
Na elkaar ontvangen faxen zullen doorgestuurd worden naar het opgegeven faxapparaat.
In het adresboek de meest gebruikte faxnummers instellen. U kunt de volgende functies in het instellen:
|
|
|
Zorg ervoor dat uw apparaat ingesteld is op faxmodus voordat u de faxnummers opslaat. |
U kunt snelkiesnummers toekennen aan maximaal 200 veelgebruikte faxnummers.
Druk op
(Faxen) op het bedieningspaneel.
Druk op op het bedieningspaneel.
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Voer een snelkiesnummer tussen 0 en 199 in en druk op .
Als een item reeds is opgeslagen in het door u gekozen nummer, toont het display het bericht dat u het kunt veranderen. Druk op om door te gaan met een volgend snelkiesnummer.
Voer de gewenste naam in en druk op .
Zie Tekens via het numerieke toetsenblok invoeren voor meer informatie over het invoeren van alfanumerieke tekens.
Voer het faxnummer in dat u wilt opslaan en druk op .
Druk op om terug te keren naar de stand-bymodus.
Druk op
(Faxen) op het bedieningspaneel.
Druk op op het bedieningspaneel.
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Voer het snelkiesnummer in dat u wilt bewerken en druk op .
Wijzig de naam en druk op .
Wijzig het faxnummer en druk op .
Druk op om terug te keren naar de stand-bymodus.
Wanneer u tijdens het versturen van een fax wordt gevraagd om een nummer in te voeren, voert u het snelkiesnummer in waaronder u het gewenste faxnummer hebt opgeslagen.
In het geval van een snelkiesnummer dat uit één cijfer (0-9) bestaat, houdt u de cijfertoets op het numerieke toetsenblok ingedrukt.
In het geval van een snelkiesnummer dat uit twee of drie cijfers bestaat, drukt u op de eerste cijfertoets(en) en houdt u vervolgens de laatste cijfertoets ingedrukt.
U kunt een item ook in het geheugen zoeken door op Adresboek te drukken (zie Een item in het adresboek zoeken).
Als u vaak eenzelfde document naar verschillende bestemmingen verstuurt, kunt u die bestemmingen groeperen en er een groepskiesnummer aan toewijzen. Op die manier kunt u een document versturen naar alle bestemmingen binnen die groep. Met de bestaande snelkiesnummers van de bestemmingen kunt u maximaal 100 (0 tot en met 99) groepskiesnummers instellen.
Druk op
(Faxen) op het bedieningspaneel.
Druk op op het bedieningspaneel.
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Voer een groepskiesnummer in tussen 0 en 99 en druk op .
Als een item reeds is opgeslagen in het door u gekozen nummer, toont het display het bericht dat u het kunt veranderen.
Voer de gewenste naam in en druk op .
Zie Tekens via het numerieke toetsenblok invoeren voor meer informatie over het invoeren van alfanumerieke tekens.
Voer de eerste letters in van de naam van het gezochte snelkiesnummer.
Druk op de pijl-links/rechts tot de gewenste naam en het gewenste nummer verschijnen en druk op .
Druk op wanneer verschijnt op de vraag
Herhaal stap 7 om andere snelkiesnummers in de groep op te nemen.
Als u klaar bent, drukt u op de pijl-links/rechts om te selecteren bij de vraag en drukt u op .
Druk op om terug te keren naar de stand-bymodus.
Druk op
(Faxen) op het bedieningspaneel.
Druk op op het bedieningspaneel.
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Voer het groepskiesnummer in dat u wilt bewerken en druk op .
Voer de naam in die u wilt bewerken en druk op .
Voer de eerste letters in van de naam van het gezochte snelkiesnummer dat u wilt toevoegen of verwijderen.
Druk op de pijl-links/rechts tot de gewenste naam en het gewenste nummer verschijnen en druk op .
Als u een nieuw snelkiesnummer hebt ingevoerd, verschijnt
Als u een snelkiesnummer invoert dat in de groep is opgeslagen, verschijnt
Druk op om het nummer toe te voegen of te verwijderen.
Druk op wanneer verschijnt om meer nummers toe te voegen of te verwijderen, en herhaal stappen 7 en 8.
Als u klaar bent, drukt u op de pijl-links/rechts om te selecteren bij de vraag en drukt u op .
Druk op om terug te keren naar de stand-bymodus.
U kunt op twee manieren een nummer in het geheugen opzoeken. U doorzoekt het adresboek alfabetisch of u voert de eerste letters in van de naam die aan dat nummer is gekoppeld.
Druk op
(Faxen) op het bedieningspaneel.
Druk op op het bedieningspaneel.
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot de gewenste naam en het gewenste nummer verschijnen. U kunt het hele geheugen alfabetisch doorzoeken van voren naar achteren en omgekeerd.
Druk op
(Faxen) op het bedieningspaneel.
Druk op op het bedieningspaneel.
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Voer de eerste letters in van de naam die u zoekt.
Druk op de pijl-links/rechts tot de gewenste naam en het gewenste nummer van het groepskiesnummer verschijnen.
Druk op
(Faxen) op het bedieningspaneel.
Druk op op het bedieningspaneel.
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot de gewenste verwijderingsoptie verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot de gewenste zoekmethode verschijnt en druk op .
Selecteer om een item te zoeken door alle items in het te doorzoeken.
Selecteer om een item te zoeken via de eerste letters van de naam.
Druk op de pijl-links/rechts tot de gewenste naam verschijnt en druk op .
Of voer de eerste letters in. Druk op de pijl-links/rechts tot de gewenste naam verschijnt en druk op .
Druk op wanneer verschijnt om de verwijdering te bevestigen.
Druk op om terug te keren naar de stand-bymodus.
U kunt het apparaat zo instellen dat een rapport wordt afgedrukt met gedetailleerde informatie over de 50 laatste faxen (zowel verzonden als ontvangen), met vermelding van datum en tijd.
Druk op
(Faxen) op het bedieningspaneel.
Druk op op het bedieningspaneel.
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk vervolgens op .
Druk op de pijl-links/rechts tot verschijnt en druk op .
Druk op om terug te keren naar de stand-bymodus.